Aalsmeer
Stommeermolen bouwjaar 1920
De Korenschoof
uit 1889 nu gedeeltelijk gesloopt
Gegevens Stommeermolen Aalsmeer

Naam                              Stommeermolen
Bouwjaar                    Fundering 1650
                              Achtkant 1742
                              Veldmuren 1920
Type                              Achtkante grondzeiler
Functie                    Poldermolen
Adres                              Stommeerkade 100
                              1431 EN Aalsmeer
Landsch. Waarde          Groot, door de hoge ligging ten opzichte van de rondom gelegen diepe droogmakerijen. De bebouwing van deze droogmakerijen en de beplanting aan de noordwest zijde doen hieraan wel afbreuk
Eigenaar          Rijnlandse Molenstichting
Molenaar          J. Hofstra
Bestemming          Oorspronkelijk het bemalen van de Stommeerpolder, groot 171 ha. Thans hulpgemaal voor de gecombineerde Stommeer-, Hornmeer-, en Oosteinderpoelpolder, tezamen groot 919 ha.
Bedrijfsvaardigheid          Sinds maart 2001 weer maalvaardig

Constructie          
Romp          Grenen achtkant op ca 2m hoge veldmuren, gedekt met riet
Kap          Gedekt met riet
Wiekenkruis          Gelaste stalen roeden, fabrikaat Derckx 2002
Vlucht          Binnenroede nr. 947, lang 28.00m, buitenroede nr. 946, lang 28.15m
Wieksysteem          Beide roeden met zeilen, voorzien van systeem Van Bussel
Bovenas          Gietijzer, fabrikaat L.I. Enthoven & Co 's Hage 1860
Vang          Vlaamse blokvang met kneppel

Inrichting
Bovenwiel          65 kammen, steek 13.5cm
Schijfloop          34 staven
Spilwiel          26 en 34 kammen
Vijzelwiel          31 kammen, steek 15.3cm
Overbrenging          Normaal werk 1: 2.34, sloom werk 1: 1.60
Vijzel          Vijzeldiameter 1.32m
          Spildiameter 0.61m
          Spoed 1.32m
          Helling 30°
          Lengte beschoeping 10.80m
          Ontwerp opvoerhoogte 4.96m
          Capaciteit 0.65m3 per vijzelomwenteling
Boezempeil          Rijnlands boezem, gemiddeld NAP 0.60m
Polderpeil          NAP 5,10

Geschiedenis
Oorspronkelijk was het Stommeer eigendom van de graven van Holland, evenals de meren rondom Lisse. Later werd de stad Leiden eigenaar van deze meren. Door financiële problemen van de drie hoofdkerken van Leiden moest de stad geregeld bijspringen. Om de kerken meer financiële armslag te geven besloot de stad in 1622 de kerken octrooi te verlenen om het Hellegat en het Geestwater met de Noord- en Zuidpoel bij Lisse en het Stommeer bij Aalsmeer droog te maken. Begonnen werd in 1624 met de bedijking en droogmaking van de meren bij Lisse. Deze droogmakerij leverde minder op dan waar op was gehoopt, maar bovendien bleken er grote risico's te kleven aan het droogmaken van meren. Het recht om de Stommeer droog te maken werd rond 1625 dan ook verkocht aan een paar rijke Amsterdamse kooplieden, waarvan David van Baerle de voornaamste was. Omdat de oevers van het Stommeer te slap werd bevonden voor het maken van een ringdijk werd eerst zoveel mogelijk land aangekocht rondom het meer, zodat zoveel mogelijk bestaande wegen als zodanig konden gaan fungeren. Hierdoor verkreeg de droogmakerij een vierkant gedaante.

Voor het droogmalen van het meer werden er in 1650 door de Warmondse molenmaker Bartholomeus Clinckenberg twee achtkante buitenkruiers gebouwd. Blijkens het bouwbestek hadden deze molens nog geen lange spruit, maar moesten de lange schoren aan twee veel langer gehouden roosterhouten worden bevestigd. Aangezien de familie Van Baerle samenwerkte met de uitvinder van de vijzel, Symon Hulsebosch, hoeft het geen verbazing te wekken dat het vijzel- of schroefmolens werden. Beneden het IJ is de Stommeerpolder vermoedelijk de eerste droogmakerij die door vijzelmolens tot stand is gekomen.

De molens werden geplaatst langs de noordoostelijke ringdijk, destijds Geylwijkerlaan geheten. In 1650 is de droogmakerij door landmeter Claes Stierp in kaart gebracht. Op deze kaart staan beide molens aangegeven, de ene bij de voormalige brug over de geylwijkerwatering, op de plaats van de huidige molen, de andere 150m te zuidoosten hiervan. Verder is de bestaande verkaveling en de te maken verkaveling aangegeven. Hieruit valt op te maken dat de tweede molen slechts bedoeld was voor de droogmaking van het meer en niet voor het drooghouden, want naar deze molen is geen hoofdwatergang ontworpen. Na het droogmaken van het meer wordt deze molen dan ook verkocht.

De andere molen wordt op 19 augustus 1854 door een windhoos getroffen waarbij de kap van de molen werd afgerukt en het achtkant ontzet. Die zelfde maand waren de bovenas en roeden juist vernieuwd. Het achtkant blijkt weer op de fundering te schuiven, maar de kap en het gevlucht moet grotendeels worden vernieuwd. Op 4 december 1919 wordt de molen onder het malen door de bliksem getroffen, waarop de molen geheel afbrandt. Hierop wordt molen nr. 1 van de Griet- en Vriesekoopsepolder te Leimuiden aangekocht.

De Griet- en Vriesekoopsepolder, gelegen tussen de Drecht en de Westeinderplas, werd bemalen door drie grote vijzelmolens, waarvan nr.1 en nr. 2, geplaatst op de Drechtdijk, niet ver van Bilderdam, in 1742 werden gebouwd. Een paar jaar later komt de derde molen tot stand, die even ten westen van Leimuiden wordt gebouwd. Molen nr. 1 wordt ook wel de Oostmolen, molen nr. 2 de Westmolen en molen nr.3 de Grietmolen genoemd. In 1909 wordt de kap van de Oostmolen afgemalen. Met het aankopen en vermaken van een kap van een binnenkruier die bij Medemblik stond, wordt de schade weer hersteld. In 1917 wordt de Westmolen afgebroken en op de fundering wordt een elektrisch gemaal gebouwd. De Grietmolen wordt in afgeknotte vorm aan de molenaar verkocht en de Oostmolen blijft in bedrijf om stroom te besparen. In 1920 wordt deze molen voor 3500 gulden door de Stommeerpolder aangekocht en door molenmaker Boot van Oude Wetering gedemonteerd en in Aalsmeer weer opgebouwd.

De Vriesekoopse molens hadden een vlucht van 27.62m, maar de oude Stommeermolen was met zijn vlucht van 24.50m veel kleiner waardoor molen nr.1 niet rechtstreeks op de veldmuren kon worden gezet. Men heeft de veldmuren daarom tot 60cm onder het maaiveld afgebroken en over de buitenzijde van de penanten een ringbalk van gewapend beton gestort en verder werden de nieuwe muren veel minder hellend gemetseld. De fundering van de oude molen bestond uit acht zware penanten, waartussen spaarbogen voor de veldmuren waren geslagen.

Verder was de molen voorzien van een gemetselde vijzelkom waarin aan het begin van de kom een nis was gespaard. In deze nis draaiden twee kleppen, die gesloten zijnde deel uitmaakten van de kom. Door deze kleppen open te zetten werd de lekspleet met de vijzel vergroot waardoor er uit de vijzel water terug liep. Hierdoor werden de compartimenten minder gevuld, waardoor de belasting verminderde. Op deze wijze kon men de molen ook bij minder sterke wind "aan de praat houden". Bij de oude molen, die voorzien was van een ondermolen of hel, konden deze kleppen, via kettingen en een windwerk, vanuit deze ruimte worden bediend. Het woongedeelte was daardoor hoger gelegen en was via buitentrappen toegankelijk. Bij de nieuwe molen verviel deze ondermolen, waardoor het windwerk  noodzakelijkerwijs buiten bij de vijzeldeuren moest worden opgesteld. Ondanks deze kleppen vond men dat de molen zwaar liep. Omstreeks 1915 werd daarom besloten de diameter van de vijzel  5 cm kleiner te maken en de gemetselde kom met specie af te smeren.

In het najaar van 1927 werd besloten om de molen "aëroplanisch" te maken (te verdekkeren), maar op 24 december van dat jaar raakt de molen in een sneeuwbui op hol en bij het vangen breekt de bovenas en stort het wiekenkruis omlaag. Met een tweedehands as en roeden wordt de molen door molenmaker Dekker weer maalvaardig gemaakt, maar gelijk werd besloten om plannen te maken voor elektrische bemaling. In de loop van 1929 wordt de vijzel uitgenomen om plaats te maken voor een zuigbuis. In de molen komt een traforuimte en een gemaalruimte met centrifugaalpomp en motor. De spil wordt daartoe ingekort tot op de eerste legering, maar bij de komst van een nieuwe machinist in 1967 verdwijnt het restant en het bovenschijf alsnog. In dat jaar wordt er naast de molen een nieuw gemaal gebouwd voor de bemaling van zowel de Stommeerpolder als de Hornmeerpolder. Vanaf de zeventiende eeuw hadden beide polders altijd hun eigen bemaling gehad, maar door het bebouwen van de polders schoot de capaciteit van beide gemalen tekort, waardoor besloten werd de polders te combineren.

In 1987 werd de molen overgedragen aan de Rijnlandse Molenstichting, die kort daarop de transformator uit de molen laat verwijderen. In 1999 wordt besloten om de beide waterlopen, die in zeer slechte staat verkeerden, op te knappen en daarbij tevens de molen weer maalvaardig te maken. Bij deze operatie zijn ook de beide vijzelkleppen werkend gemaakt en verder is ook het rietdek vernieuwd. Sinds maart 2001 was de molen weer maalvaardig, maar in de zomer bleek dat de beide gelaste roeden uit 1967 hier niet tegen bestand waren. In 2002 zijn beide roeden vervangen en voorzien van Van Busselstroomlijnneuzen ter uitvoering van het besluit dat het  polderbestuur reeds in 1927 had genomen. Eind april 2002 kon de molen hiermee weer malen

Zie onder aan de pagina de zeer uitgebreide gegevens van de Stommeermolen met dank aan Jan Hofstra
Korenmolen de Leeuw 1863
De Zwarte ruiter